Wisselvallig weer zorgt voor extra duinvorming op strand Jacobskruiskruid is wegrestaurant voor gevangenisrupsen. Ons eiland als museum Cruisen langs bloeiend Jacobskruiskruid BRUINVISSEN in de Oosterschelde Jan op tv Houtwallen

Natuurinformatie




Wisselvallig weer zorgt voor extra duinvorming op strand

Wisselvallig weer zorgt voor extra duinvorming op strand
dinsdag 26 augustus 2008

pzc duinvorming.jpg

Duinvorming door plantjes zeeraket in Westenschouwen. foto Dirk-Jan Gjeltema

persbericht:
WESTENSCHOUWEN - Toeristen zijn niet blij met het wisselvallige weer, maar voor de natuur is het andere koek.
De afwisseling van regen en zon, de overwegende zuidenwind en het massaal wegblijven van badgasten zorgen voor veel extra duinvorming op het strand bij Westenschouwen.

Voor schoolmeester en natuurkenner Jac P. Thijsse zou het volgens Jan Midavaine van Natuurinformatiepunt Westenschouwen zeker aanleiding geweest zijn om met zijn leerlingen naar het Westenschouwse strand bij De Punt te trekken. Daar is in optima forma de komst van nieuwe kleine duintjes te zien. Vloedmerkplanten als zeeraket en loogkruid gedijen bijzonder goed in het wisselvallige weer en genoemde planten zijn - stelt Midavaine - echte zandbinders. Het loogkruid, van oorsprong een Zuid-Russische steppenplant, zorgt samen met de zeeraket, voor fraaie nieuwe duintjes die in recordtijd uitgegroeid zijn tot een hoogte van meer dan een halve meter. De laatste 35 jaar hebben deze twee zoutminnende planten zich niet zo kunnen manifesteren als gedurende deze zomer. Midavaine tekent daar bij aan dat het voor zeeraket en loogkruid een feest van korte duur betreft. Beide planten zijn eenjarig en als ze straks afsterven en verdwijnen, zullen de meeste jonge duintjes weer verwaaien. Troost is dat het helmgras in de duinen van Westenschouwen deze zomer met rasse schreden de afgelopen maanden gevormde duintjes op het stenen dijktalud nadert. De geasfalteerde dijk heeft door de helm als zandvanger steeds meer het uiterlijk van een duin gekregen.



Jacobskruiskruid is wegrestaurant voor gevangenisrupsen.

Jacobskruiskruid is wegrestaurant voor gevangenisrupsen.Juli 2008

Westenschouwen- Duin-, bos- en fietspadranden in de Schouwse Westhoek kleuren momenteel prachtig geel. Op Sint Jacob, 25 juli, staat het Jacobskruiskruid in volle bloei. Gevangenisrupsen, men noemt die dieren zo omdat ze een zwart-geel gestreept pak aan hebben, zijn echte veelvraten. De strepen van de gevangenisrupsen lopen niet in lengterichting, maar dwars, zodat de dieren inderdaad het traditionele gevangenisuniform, zoals wij ons dat voorstellen, schijnen aan te hebben. Ze worden ook wel Zebrarupsen genoemd. Officieel zijn het rupsen van de Sint Jacobsvlinder-Tyria jacobaeae. De geelzwarte Zebrarups en de mooie rood zwarte Sint Jacobsvlinder zijn in feite hetzelfde beest. De rupsen kunnen vrijwel alle bladeren afvreten, maar aan de bloemen kunnen we nog zien dat we te maken hebben met Jacobskruiskruid. Als de rupsen zich volgegeten hebben, laten ze zich aan een draadje op de grond zakken en gaan op zoek naar een plant waarop ze zich kunnen verpoppen. Het lijkt vreemd dat ze dat niet op het Jacobskruiskruid doen. Maar dat is gewoon noodzaak, omdat het Jacobskruiskruid ieder jaar afsterft, dat wil zeggen de bovengrondse delen. De vlinderpoppen zouden daardoor hun bescherming kwijtraken, die ze in de winter zo hard nodig hebben, want het duurt tot het volgende voorjaar voordat de vlinders uitkomen. De negen maanden durende rustperiode bij deze soort wordt de zogenaamde diapauze genoemd. In de duinen groeit bijvoorbeeld volop helmgras, zodat de rupsen zich binnen de bladschede kunnen verpoppen. De rupsen maken, nadat ze een geschikt plekje hebben gevonden een geel spinseltje. Daarin voltrekt zich heel langzaam een wondertje. Omstreeks begin mei komt uit de pop een wezentje te voorschijn dat in niets lijkt op de gestreepte rups die de pop heeft gemaakt. De Sint Jacobsvlinder heeft grijze bovenvleugels die versierd zijn met een rode streep en twee rode vlekken. De ondervleugels zijn prachtig rood. Vaak zitten ze met gespreide vleugels te zonnen en dan vallen ze goed op. Al heel snel kan dan paring optreden. Het mannetje zoekt hiertoe `s nachts het vrouwtje op, dat in die tijd vrijwel stil zijn komst zit af te wachten. Na de paring, die in de vroege ochtend plaatsvindt, begint het vrouwtje in de daaropvolgende middagen haar eieren in groepjes af te zetten tegen de onderzijde van bladeren van het Jacobskruiskruid. Een dergelijk groepje, dat een spiegel wordt genoemd, kan uit meer dan honderd eitjes bestaan, die in regelmatige rijen naast elkaar gerangschikt zijn. Het kleine vlindertje kan in het voorjaar wel 200 tot 600 eieren leggen. Als de eieren niet door mijten worden leeggezogen komen er kleine rupsjes uit die beige van kleur zijn. Zodra het eerste voedsel verorberd is, verandert die kleur in grijs. Die kleurverandering komt doordat het darmkanaal gevuld raakt met voedsel waardoor de rups ondoorzichtig wordt. Tijdens hun ontwikkeling vervellen de rupsen vier keer: er zijn dus vijf stadia.
In één maand neemt de rups in lengte toe van enkele millimeters tot enkele centimeters. In die ene maand neemt het gewicht meer dan 2000-voudig toe. De rupsen worden zelf belaagd en bejaagd door o.a., hooiwagens, oorwormen, mieren en sluipwespen. Zo kan een rode bosmier de grote vierde en vijfde stadiumrupsen naar zijn nest slepen. Hierdoor sneuvelen aanmerkelijke aantallen. De ontwikkeling van de rupsen duurt ongeveer een maand. Pas in de laatste twee weken dragen ze hun zeer opvallende geel-zwarte gevangenispakjes.

jacobskruiskruid tekening Ellen Midavaine.jpg

tekening Ellen Midavaine-Jansens, ook verkrijgbaar als ansichtkaart

Vette en magere jaren.

Het ene jaar krioelt het van de Zebrarupsen zodat al het Jacobskruiskruid wordt kaalgevreten, terwijl er in de andere jaren nauwelijks rupsen te vinden zijn en de planten het prima doen. Het voedselaanbod, de aantallen roofvijanden, het weer, enz., bepalen de overlevingskans van de Zebrarupsen. Overleven er veel Zebrarupsen, doordat er dat jaar bijvoorbeeld veel voedsel is en gunstig weer, dan komen er het jaar daarop veel vlinders en dus ook veel rupsen. De jaarlijkse toename van de rupsen blijft doorgaan tot er zoveel zijn dat er te weinig voedsel voor ze is en velen de hongerdood sterven. Dan zijn er het jaar daarop maar weinig vlinders en rupsen en zullen er weinig planten worden opgegeten. Doordat deze afwisseling van veel en weinig planten en rupsen afhankelijk is van veel factoren, is het moeilijk te voorspellen hoe de schommelingen in de aantallen verlopen. Bij Jacobskruiskruid is de relatie tussen plant en insect, de Zebrarups of gevangenisrups, zeer opvallend. De vraat van de rups aan de plant is soms zo hevig, dat er nauwelijks meer dan een plantenruïne overblijft. In de wintertijd vreten de konijnen aan de wortels, waardoor de plantenhoeveelheid drastisch kan verminderen. De plant gaat echter niet ten onder, dank zij een groot regeneratievermogen en de productie van tot honderdduizend zaden per plant per jaar. Zaden, die bovendien gespreid over lange tijd ontkiemen.

zeebrarups 300x225.jpg



Ons eiland als museum

Ons eiland als museum: Eigenlijk leven we op Schouwen-Duiveland in een soort openlucht museum
26 jun 2008, persbericht.

SCHOUWEN-DUIVELAND - Steen, beton, basalt, asfalt. In de strijd tegen het water gebruikten Nederlanders steeds nieuwe materialen en technieken. Elke generatie drukte zijn stempel op het landschap. Eigenlijk leven we in een soort openluchtmuseum; veel van die verschillende vormen van dijkbekleding zijn terug te vinden op Schouwen-Duiveland.

foto dijktaludf[1].jpg

Jan Midavaine van Natuurinformatiepunt Westerschouwen begrijpt dat het nodig is de dijken te versterken, maar hij maakt zich zorgen over het tempo waarin dat gebeurt.
Foto: Anja de Glopper

In ras tempo verdwijnt die huidige dijkbekleding echter. Bureau Zeeweringen is bezig de dijken te versterken, in opdracht van Rijkswaterstaat en het waterschap. Jan Midavaine van Natuurinformatiepunt Westerschouwen begrijpt dat het nodig is de dijken te versterken, maar hij maakt zich ernstig zorgen over het tempo waarin dat gebeurt. Midavaine: In 2011 willen ze heel de zuidkust van Schouwen-Duiveland opnieuw bekleed hebben. Vijftig jaar geleden werden stenen nog met de hand gezet. Tegenwoordig wordt vanwege de ARBO-wetgeving alles machinaal gedaan. Een grijparm pakt een compartiment betonzuilen in één keer en in een paar maanden tijd is alles gerenoveerd. Dat is nodig, en goed, maar de planten die er groeiden kunnen dat tempo niet bijhouden. Een van die bedreigde plantjes is zeealsem. Op Schouwen-Duiveland komt dat nog maar op een paar plaatsen voor. Toch is het mogelijk de planten te helpen, heeft Midavaine bedacht. Tussen die nieuwe bekleding met betonnen zuilen zitten ronde gaten. Als je daar klei tussen zou aanbrengen, of de grond die tussen de oorspronkelijke bekleding met Vilvoordse stenen zat, dan komt het wel goed. Het zou mooi zijn om al die verschillende vormen van dijkbekleding te kunnen laten zien aan belangstellenden, bedacht Jan Midavaine. Een openluchtmuseum bij Plan Tureluur of de Westbout zou leuk zijn. Haringmanblokken, blokken van systeem Leendertse, basaltblokken. Al die ingenieurs dachten het elke keer weer beter te weten dan de vorige. Zo waren de Muraltmuren ooit een revolutionair idee; slim en goedkoop. Maar de dijken onder die muren bleken te dun en te kwetsbaar. Inmiddels kreeg Midavaine een uitnodiging van het Bureau Zeeweringen, om van gedachten te wisselen over zijn ideeën wat betreft het openluchtmuseum. Ook Midavaines voorstel om het de kwetsbare zoutplanten wat gemakkelijker te maken bij de vernieuwing van de zuidkust wordt dan besproken. Hij heeft er alle vertrouwen in. Ze hebben al eerder hele pollen zeldzame zeelathyrus beschermd en weer teruggezet. Bij Rijkswaterstaat werken ook ecologen en biologen. www.jantrampoline.nl

Rotskusten
Voor 1200 had men schorren als kustbescherming. een dijk voorzien van een stevige grasmat was toen voldoende om droge voeten te houden. Later ging men gebruikmaken van krammatten; stromatten met ijzerdraad. In 1827 kwamen de eerste dijkglooiingen van steen, zogenaamde Vilvoordse- of Doornikse steenglooiingen, ook wel schapenkoppen genoemd. Vanaf 1858 maakte men gebruik van basaltblokken. Betonglooiingen verschenen vanaf 1905. Sinds 1914 deden onder andere de Muraltmuren dienst om het water buiten de deur te houden. De trapjesglooiing en de spijkerglooiing waren ook uitvindingen van jonkheer ir. de Muralt. Na de muraltglooiingen kwamen verschillende betonglooiingsystemen in gebruik, zoals het systeem Leendertse, Corman, Haringman, Pit-betonglooiing en systeen Oord.

Waterleven.
De scheuren en beschadigingen in het stenig materiaal van de dijken hebben geleid tot een rijk en ecologisch bijzonder leven van planten en dieren. Boven de hoogwaterlijn zijn er mossen en korstmossen te vinden, onder water verschillende wieren en schelpdieren. Ook melkkruid, zilte schijnspurrie, zeeweegbree, zeealsem en hertshooiweegbree zijn te vinden langs onze dijken.



Cruisen langs bloeiend Jacobskruiskruid

Cruisen langs bloeiend Jacobskruiskruid
persbericht zaterdag 26 juli

PZC 26 juli 2008.jpg

artikel in de PZC

Het Jacobskruiskruid langs de skelterroute staat momenteel in volle bloei. Op de skelter Jorg en Sabine Reinhardt en hun kinderen Max en Philipp. foto Ronald den Dekker

De zebrarups is zwart met fel geel. De Sint Jacobsvlinder heeft grijze bovenvleugels versierd met rode streep. De grote rode staat al klaar. Een skelter voor vier personen, aan te drijven met spierkracht. Doel: een tocht langs het Jacobskruiskruid in de Boswachterij Westenschouwen. Leidraad; een routebeschrijving geleverd door het Natuurinformatiepunt Westenschouwen.




BRUINVISSEN in de Oosterschelde

Vanaf de Oosterscheldedijk bruinvissen zien? Echt wel!!

bruinvis foto W,J. Strietman, Stichting Rugvin.bmp

De kans om een bruinvis te zien in de Oosterschelde wordt steeds groter. De Oosterschelde telt minstens 61 bruinvissen. Dat blijkt uit een telling van de Stichting Rugvin.

Heb jij al eens een bruinvis gezien? Nee?
Ga snel kijken!

Bruinvissen hebben een stompe snuit, een lange driehoekige rugvin en een platte staartvin. De rug is donkergrijs, de buik helder wit. Ze eten kleine levende dieren als vissen, garnalen, enz. Deze vinden ze met behulp van echolocatie. Ze zwemmen voornamelijk vlak onder de oppervlakte en kunnen net als een dolfijn uit het water springen. Maar ze doen dit vrijwel nooit. De soort komt veel in de Nederlandse kustwater voor. Vooral in de winter en in het vroege voorjaar (november - april). Bijzonder: de bruinvissen in de Oosterschelde blijven het hele jaar door. Onbekend is waarom.

De naam bruinvis is op het eerste gezicht vreemd, omdat deze dieren geen vissen zijn en ook geen bruine kleur hebben. De verklaring hiervoor is dat vroeger, toen de mensen nog niet zoveel van dieren wisten, alles wat in de zee leefde vissen noemde. Grauwe kleuren, zoals bruin, grijs en zwart werden allemaal bruin genoemd.

bruinvis Oosterschelde , W.J. Strietman, Stichting Rugvin.bmp

Heb je een bruinvis gefotografeerd? Stuur dan je foto naar consulentschap.zeeland@ivn.nl en we plaatsen je foto op www.np-oosterschelde.nl!

Geschreven door Fransje Meijer, Communicatie & Educatie, Nationaal Park Oosterschelde

Met dank aan Wouter Jan Strietman van Stichting Rugvin voor de toestemming zijn foto`s te mogen plaatsen.







Jan op tv

Jan op tv in "De Zeeuw van Vlaanderen", een programma van omroep Zeeland. Ga naar de 9e minuut en klik op start, dan zie je een stukje over een bevlogen natuurgids.





Houtwallen

Highman of haaiman fietstocht naar de wallen van Schouwen Eerst wat informatie vooraf:
In de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw waren de Schouwse gronden van de Oosteren Ban en de Westeren Ban waarschijnlijk alle Haaimannen.
Haaiman, of duinakkerweiland is een stuk begreppeld binnenduin, dat afwisselend als wei- en akkerland wordt gebruikt, rondom de haaiman lag een houtwal.
G.E.Rumphius (1627-1702), de blinde ziener van Ambon, is de grootste naturalist die ooit leefde en werkte in de Molukken. Maar groter nog dan zijn wetenschappelijke verdiensten is Rumphius faam om zijn beeldende en levendige beschrijvingen van de tropische wonderwereld waarin hij heeft geleefd, vanaf zijn aankomst op Ambon in 1654 tot aan zijn dood daar in 1702. Zo beschreef hij in Het Ambonische Kruid-boek de Zee-Bintangor-Boom.
Hier volgt een citaat over de beschrijving van de schors van de Zee-Bintanger-Boom: Het is een grooten woesten boom, met een zo dikken stam, als men eenige andere ziet, als gezegt, nooit regt over eind staande, maar altyd voor over hellende, met een zeer grove, ruige, en ontfatzoenlyke schorsse, zo lelyk, als eenig Haymans rugge zyn mag; vuil, swart, dik, en hard, en in de scheuren ziet men iets geels, als een gom, doch zeer schaars,. Hy heeft weinig hooft-takken, waar van ieder een geheelen stam verbeelden kan, maar dezelve verdeelen hun in veele andere ruige knoestige takken, alle met een digt loof bekleet.
Uit het citaat blijkt dat Rumphius het woord Haaimansrug gebruikt, om zelfs in het Verre Oosten een daar voorkomende boom te beschrijven. Hieruit blijkt overduidelijk dat een Haaiman een gangbaar begrip in De Nederlanden moet zijn geweest.
De wetenschappelijke naam van de Zee-Bintangor-Boom is Calophyllum inophyllum en in het Engels, Alexandrian Laurel. Op Bali heet de boom Tsjam-poelong en op Ambon, Hataur, Hataulo, en Hutaulo, ook Hattaou-Ui.
In de gangbare Nederlandse woordenboeken en Encyclopedia is thans het woord Haaiman niet meer te vinden.
Haaimannen en Haaimansruggen zijn vandaag de dag nog in grote getale op Schouwen te zien. Haaimansruggen, tegenwoordig Houtwallen genoemd zijn op Schouwen nog terug te vinden met maar liefst een lengte van ruim 15 kilometer!




TrampoCMS © Jeroen Lukas 2006
Parsetime: 0.0082519999999999 sec